Champagnestreek

 

De Marne en de Aube

 



Fotoalbum
Slaapplaatsen

 

 

We besloten om de champagnestreek  tussen Epernay en Troyes eens te verkennen.
We vertrokken dinsdagnamiddag 3 oktober 2006 om 16.30 uur en tegen 18.45 uur waren we aan de grens in Rocroi (180 km). We hebben er gegeten en zijn rond 19.50 uur terug vertrokken.
We reden via Reims tot Mareuil sur Ay (325 km) waar we om 22.10 uur aankwamen. De camperplaats kenden we al want we stonden er in april. Er is plaats voor 8 campers en nu stonden er 15. Druk dus !


Woensdagmorgen vertrokken we om via Epernay richting Troyes te rijden, de streek van de Blanc de Blanc.

We reden via Moussy, Monthelon, Morangis, Moslins, Marcy, Chavot-Courcourt, Avize, Oger, Le Mesnil sur Oger, Vertus, Bergères-les-Vertus, Etoges en Cogny tot Mondement-Montgivroux.

Daar bezochten we het indrukwekkende monument, een monoliet, opgericht ter nagedachtenis aan de slag bij de Marne. Maréchal Foch koos zelf de plaats waar het moest komen.
Daarna ging het verder tot Sezanne, waar we het stadje verkenden. Nadien reden we verder tot Troyes, we zochten camping Municipal, gelegen in de rue Roger Salengro 7 in Pont Sainte Marie.
We hadden geluk er was nog plaats. Deze camping ligt op fietsafstand of zelfs op wandelafstand (20 minuten) van het oude centrum van Troyes. Er komt ook een bus die dichtbij de camping stopt en om de 12 minuten rijdt. Het was er rustig en we hebben goed geslapen.
Bij het opstaan was het zonnig aangenaam weer voor de tijd van het jaar. We zijn met de fiets naar Troyes gereden, één rechte baan tot in het oude centrum +/- 3 km.

Het charmante middeleeuwse centrum, is een beschermde wijk van 53 ha in de vorm van een champagnekurk. Troyes is een aangename stad met vele vakwerkhuizen die, zorgvuldig gerestaureerd, echte pareltjes worden.


Troyes is de hoofdstad van de Aube en is tevens de stad van vele kerken. De kathedraal St. Pierre et St. Paul, de Basiliek St. Urbain, de kerken St. Madeleine en St. Pantaléon om er maar enkele te noemen. Tien in totaal, geklasseerde gebouwen met de grootste schat aan glasramen in Europa.
We brachten er een aangename dag door, slenterend door de vele autovrije straatjes en de boulevards met vele winkels.

In de late namiddag reden we terug naar de camping en vertrokken naar de  grote meren van het Forêt d’Orient. Dit uitgestrekte natuurgebied ligt op de drempel van Troyes (20 km).



De meren zijn eigenlijk stuwmeren die de loop van de Seine regelen. Het hart van de streek is de Champagne Humide maar ze beslaat eveneens delen van de Champagnes Crayeuse en de vlakte van Brienne tot de rand van de Côte des Bar. Het resultaat is een zeer gevarieerd landschap, een beschermde wereld van 70.000 ha waar het water wordt gekoesterd door de bossen en wouden.
Forêt du Temple, Forêt d’Orient, namen die doen denken aan de Tempeliers, de orde van monniksoldaten die in de 12de eeuw, ten tijde van de kruistochten, waakten over de veiligheid van de pelgrims op weg naar het Heilig Land in het Oosten. De orde werd in 1118 gesticht door Hugues de Payns en vernietigd door Filips de Schone in 1307. Sommigen zijn ervan overtuigd dat zij hun schat ergens hebben begraven.
Maar waar …… ?
Het mysterie blijft onopgelost.
We reden tot in Port Dienville aan het meer d’Amance waar we een plaatsje kozen op de camping du Tertre, vlakbij de haven.


De volgende morgen, het regende, zijn we via Vitry-le-François tot St. Menehould gereden.
Het stadhuisplein in St. Menehould is een voorbeeld van typische 18de eeuwse architectuur, met roze bakstenen, afgewisseld met rijen natuurstenen en blauwachtige leien daken.  Het is ook de geboortestad van Dom Pérignon, de beroemde monnik aan wie wij gedeeltelijk de champagne te danken hebben. Hij was de talentvolle keldermeester van de abdij van Hautvillers gelegen op enkele kilometers afstand.
Wat de kookkunst betreft is deze stad ook de plaats van de beroemde varkenspootjes à la Ste Ménehould, waarvan het recept zorgvuldig geheim wordt gehouden. In maart 2003 werd de nieuwe confrérie du “Pied de Cochon “ à la Sainte Ménehould opgericht met als missie de bescherming van het streekprodukt.


Onze nieuwsgierigheid dwong ons een poot te kopen 5€ per stuk.  Groot was onze verrassing toen de beenhouwer ons zei dat we deze delicatesse van het vel moesten ontdoen en dan alles, ook de beentjes,  moesten opeten. De légende wil dat in 1730, een keukenhulpje in het hotel Metz eens vergat dat hij een grote pot met poten op het vuur had staan, en deze zo meer dan een ganse nacht kookten. Hij ontdekte de volgende morgen dat de poten zo à point waren dat zelfs de beentjes zacht werden en het recept was geboren. De beentjes ook opeten was niet direct onze smaak, maar ja, kleuren en smaken verschillen nietwaar. Toch is het proeven ervan blijkbaar een must want overal zijn ze te koop of in restaurants te eten.


Van daaruit zijn we naar Reims gereden waar we nog een dagje de stad wilden verkennen.
De volgende dag was het zonnig weer en we hebben genoten van ons dagje Reims. In het palais du Tau werd dat weekend in sommige zalen met kinderen gekookt, zij maakten hapjes en pralines. Een knap initiatief met als doel de kinderen naar musea te krijgen. Wel een raar zicht, die immense zalen met kunstschatten en daar tussenin  kindjes die staan te kliederen met chocolade, schattig !.


De volgende dag zijn we terug naar huis gereden. We hadden er weer enkele zonnige en gezellige dagen opzitten.

Bronnen :
Les escapades Aube en Champagne
Les charmes et les sortilèges de l’Aube

 

 

 

Top
Terug